AAFKE MINNEMA, EEN FRIEZIN UIT DRENTHE.
(bijgewerkt 11 mei 2010, email dckruis at zeelandnet punt nl)

Intro
Folkerts en Minnes
Het leven rond 1800
Ee-Engwierum-Kollum-Burum
Folkert en Meintje: ouders van Aafke
Nog even Aafke Kruis-Minnema

Stamboom Aafke Minnema

TERUG

Intro
Van oma Aafke Minnema kan ik niet veel meer herinneren dan haar overlijden. Grote indruk maakte de wetenschap dat er in dat huis iemand half verlamd lag als gevolg van een hersenbloeding en dat ernstig kijkende ooms en tantes af en aan liepen. Voor de begrafenis waren we kennelijk nog te klein maar vanuit het huis van een bevriend echtpaar – schoenmaker Dijkstra – konden we wel de zwarte stoet richting kerk en begraafplaats zien rijden.
De meisjesnaam van je oma blijft je in het algemeen minder goed bij dan de eigen familienaam van opa's zijde. Bij de naam “Minnema” denk ik ook niet automatisch aan mijn oma maar eerder aan twee neven van mijn vader die dominee waren. Zoiets bleef in een gereformeerd gezin uiteraard niet onopgemerkt. Ook een andere neef Minnema roept herinneringen op omdat hij – daartoe ingehuurd door de lagere school - als “psycholoog” over onze toekomstige schoolkeuze mocht adviseren. Zijn voorspelling toentertijd is voor mij 100% uitgekomen.
Maar uiteindelijk werden deze Minnema's familie door Aafke. Aafke Minnema, een ras-Friese naam, maar afkomstig uit Drenthe. Hoe zat dat eigenlijk?

 

Folkerts en Minnes
Minnema is een veelvoorkomende Friese naam. De uitgang –ma is typisch Fries. Waarschijnlijk komt het oorspronkelijk van “man van”. Maar later speelde deze betekenis zelf niet zo'n belangrijke rol maar had het vooral een naamgevende functie. Soms zijn er ook woningen of landgoederen zo vernoemd, wat later weer familienamen werden. Zo is er in Leeuwarden sprake van een Minnema-saete. Toch lijkt hier geen verband te zijn met onze Minnema-tak. In ons geval is er – overigens net als zoveel andere Minnema's – waarschijnlijk slechts sprake van eenvoudige naamgevende functie. Minnema, zoon van Minne dus!
In 1811 werd iedereen verplicht een achternaam te dragen. In het dorp Ee bij Dokkum woonde een weesjongen, Folkert. Zijn voogd Rienks Minnes Douma, schreef hem in het nieuwe burgelijke stand in als Folkert Minnes Minnema. Minnema was een veelvoorkomende naam in deze streek. Ook in oude stukken van de late middeleeuwen is deze naam bekend. Overigens waren er voor 1800 relatief maar weinig Friezen die al een achternaam hadden. De geschiedenis laat hardnekkig sporen na want zelfs op dit moment laat een spreidingskaartje van de naam Minnema zien dat deze nog steeds de grootste concentratie kent in noordoost Friesland.

http://www.geocities.com/geonea13000/gif/34/MIN16978.HTM

 

Wat weten we van onze Minnema's toen ze nog geen achternaam hadden?
Onze wees Folkert is in 1798 onder Ee geboren. Een voogdijschap gold in die tijd tot de leeftijd van 25 jaar, dus het lag voor de hand dat zijn voogd hem in 1811 - toen Folkert pas 13 was - inschreef in de burgelijke stand.. Op zoek naar zijn vader stuitten we op ene Menne Folkerts uit Ee. Deze Menne trouwt in 1790 in het naastgelegen dorp Oostrum met Trijntje Arends uit Dokkum. In 1805 zien we opnieuw een huwelijk van Trijntje Arends– kennelijk was Menne toen overleden – nu met Pytter Gerbens. Menne en Trijntje waren Folkerts ouders. Trijntje is naar we mogen aannemen tussen 1805 en 1811 overleden. Folkert heeft dan nog wel een opa van moederszijde in Dokkum, maar hij blijft bij een voogd in Ee wonen.
Ervan uitgaande dat zonen in eerste instantie naar hun opa (eerst vaderskant dan moederskant) werden genoemd, zoeken we verder. In 1767 komen we opnieuw een Folkert Minnes uit Ee tegen die trouwt met Maaike Douwes. Maar ja er waren vele Minnes en Folkerts in die tijd. Dus of het de echte voorouders zijn, vergt nog wat dieper speurwerk.
En dan hebben we nog onze voogd, Rienks Minnes Douma. Vaak waren voogden familieleden maar dat lijkt hier niet het geval. De vader van Folkert was landbouwer. Rienks Douma is dat ook; misschien werkte Folkert bij hem? Ook Douma is een nieuw aangenomen naam want ene Rienks Minnes uit Ee schrijft zich eveneens in 1811 in onder de naam Douma, samen met zijn 8-jarige zoon Meindert en 4-jarige dochter Trijntje. Het zou dezelfde Rienks Minnes kunnen zijn die in 1799 trouwde met Lysbeth Johannes. Onze voogd Rienks Minnes Douma overlijdt in 1839 op 68 jarige leeftijd.

Het leven rond 1800
Het dorp Ee waar Folkert Minnema woonde ligt ten oosten van Dokkum in het noorden van Friesland. Vroeger had Dokkum een open verbinding via het Dokkumer Ee en Dokkumerdiep met de Lauwerszee. Dit riviertje liep door tot Leeuwarden en diende ook als trekvaart. Dokkum behoort tot de oudste stedelijke nederzettingen en kende door haar verbindingen een drukke handel. Dit noordelijke deel van Friesland lag dus allesbehalve geïsoleerd. Via de schippers kwam men in veel in contact met Friezen van elders, Hollanders, Zeeuwen en buitenlanders. Het dorp Ee zelf lag op 1 1/2 uur gaans van Dokkum. Via de dorpsvaart en de Dokkumer Ee of via het Dokkumerdiep aan de zuidkant van het dorp kon men Dokkum bereiken. Telde de stad Dokkum toch bijna 4000 inwoners, het dorp Ee is echt een plattelandsdorp met zo'n 750 inwoners. Dat zullen niet veel meer dan 150 woningen c.q. huishoudens zijn geweest en ongetwijfeld gold dat iedereen iedereen kende. Veruit de meesten werkten in de landbouw en veeteelt maar zo'n dorp telde ook nog een groot aantal handwerkslui - schoenmakers, bakkers, smeden, timmerlieden etc. Bovendien was niet iedereen gelijk. Je had hereboeren, eenvoudige vrije boeren, arbeiders en middenstanders (vaak weduwen). Mensen met eigendommen waren stemgerechtigd, of het nu over burgelijke zaken ging of om kerkelijke aangelegenheid. En mensen met grote eigendommen hadden meer stemmen. Gewone arbeiders hadden weinig te vertellen.

Ee is afgeleid van het latijnse "aqua", water dus. Bewoning dateert al van voor het jaar 900. Ee is een echt terpdorp, met 3 "loanen" en de kerk in het midden; een kerk die rond 1250 is gebouwd en gewijd is aan een pastoor Jariglulfus. De oudste steensoort, het tufsteen, werd per schip aangevoerd vanuit de Eifel. Uiteraard is aan de kerk veel ver- en herbouwd; zo dateert de huidige toren uit 1869. De standenmaatschappij is ook in de kerkbanken terug te lezen; er zijn gratis open banken voor de armen, schotelbanken waar je voor betaalde door geld in een koperen schaaltje te deponeren en herenbanken die speciaal in opdracht van families werden gemaakt. De geschiedenis van Ee wordt deels bepaald door de bewoners van de grote stinzen, staten of saten, die uiteraard ook zulke herenbanken hadden. De Mockema's voeren voor 1600 de boventoon. De bewoners van de Obbema sate verzetten zich tegen de reformatie en blijven rooms. In 1795 zorgen de Fransen voor vernieuwingen in het bestuur. Ee wordt een zelfstandige mairie. Maar er is ook onrust in de streek. In 1797 besluit Den Haag de dienstplicht in te voeren voor een nationale militie. Vooral in het gebied van Kollumerland - Burum en Buitenpost, vanouds een grensgebied waar recalcitranten zich ophielden - verzet men zich hiertegen; dit leidde tot het zgn. Kollumer oproer van prinsgezinden tegen de Fransgezinde machthebbers uit Dokkum en Leeuwarden. Dat leidde o.a. tot een strafexpeditie van Leeuwarder schutters die ook Ee aandeden.

Hoe leefde men in die tijd? In een rapportage "De Friezen en hun aard, karakter, opvoeding, kleeding, taal, levenswijze, zeden, enz. in den aanvang der negentiende eeuw" doet de waarnemende gouverneur verslag aan de minister van het Keizerrijk. Enkele citaten eruit geven een aardige indruk van de manier van leven van Folkert.


....De wijze van voeding der kinderen is in den regel zeer eenvoudig en gelijkvormig onder de bewoners van het platte land. Gedurende het eerste jaar en zelfs nog langer is de moedermelk het voornaamste, zoo niet het eenige voedsel der kinderen. Dikwijls treft men moeders aan, die hare kinderen aan de borst houden tot aan het tweede en zelfs tot aan het derde jaar, wanneer zij reeds tevens van het voedsel hunner ouders mede gebruiken en alleen loopen. In den regel echter worden zij gespeend op één of anderhaljarigen leeftijd. De moeders die door zwakte of andere omstandigheden buiten staat zijn hare kinderen te zogen, voeden hen met een pap van melk en beschuit, of met meel van boekweit, waarvan men met melk een dunne pap maakt, of die men laat kooken met gort en karnemelk.

...De kleeding der kinderen is doorgaans warm en van eene vrij dikke stof, ten minste wanneer de omstandigheden der ouders niet al te bekrompen zijn. Tot 5, 6 of 7 jaren, naarmate ze meer of minder ontwikkeld zijn, blijven de kinderen thuis onder het opzigt der moeder, die, indien zij op het veld werkt, hen dikwijls met zich neemt, ten einde hen niet uit het oog te verliezen, wanneer zij zich bezig houdt met wieden of anderen veldarbeid

...Het kind den bovenbedoelden leeftijd bereikt hebbende, wordt gewoonlijk ter schole gezonden, waar men het leert lezen en schrijven, somtijds ook rekenen en psalmzingen, alsmede om vragen en antwoorden van buiten te leeren, bevattende de beginselen der christerlijke goedsdienst...De tijd voor het onderwijs bestemd, hangt veel af van de omstandigheden der ouders en verschil van één tot vier jaren. De zoon van den daglooner, zoodra hij een paard kan besturen, wordt gedurende het zomerseisoen bij een landbouwer dienstbaar...De veldarbeid geëindigd zijnde, gaan de jongens gedurende den winter weder naar de school. Een jongen die drie of vier zomerhalfjaren, naar gelang der ontwikkeling zijnder krachten, bij den boer verkeerd heeft treedt bij een landbouwer voor het gansche jaar in dienst. Van dat oogenblik af wordt hij beschouwd als in zijne eigene behoeften te kunnen voorzien, en zelden zijn de ouders in de noodzakelijkheid hem nog bijstand te bieden.

...De opvoeding van de meisjes verschilt wienig van die van de jongens. Zij gaan slechts ter school, wanneer hare ouders behoeftig zijn, tot aan het oogenblik dat zij in staat zijn iets te verdienen; en de gelegenheid daartoe biedt zich spoedig aan in die streken waar de landbouw vele handen noodig heeft en die dan ook het meerst bevolkt zijn. daartoe behooren het aardappelen bijeen te brengen die uitgedold zijn en andere soortgelijke bezigheden te verrigten..Bovendien duur het niet lang of zij kunnen spinnen, hetgeen eene kleine aanwinst geeft voor de middelen van bestaan van het gezin. Men onderrigt haar weinig in vrouwelijke handewerken, b.v. in het naaijen of breiden. ....De dochters van landbouwers, die weinig bemiddeld zijn, vervullen bij hare ouders de taak van dienstmaagden. Zij leeren de koeijen melken en boter maken. Men acht hare opvoeding voltooid, wanneer zij aan het hoofd eener boerenhuishouding kunnen staan.

..De daglooner die met een talrijk gezin van zijn dagelijksche verdienste moet leven, heeft geen ander voedsel dan roggenbrood en aardappelen. Het brood wordt gegeven met een weinig boter of met een stuk kaas; de aardappelen met zout en mosterd, zelden met vet...Buiten thee en koffij is de gewone drank karnemelk. Bij zwaar werk deelt de landbouwer somtijds jenever uit aan zijne arbeiders...

..De landbouwer staat met zijn gezin op te 3 ure à half vier. Alsdan gaat men de koeijen melken, de boter karnen en kaas maken. De knechten, die hij gewoonlijk in zijn dienst heeft, beginnen te 5 ure hun werk. Dit is de tijd, die bestemd is om een aanvang te maken met het bewerken van het land, het te eggen of wel ander landwerk te verrigten. Te 8 ure komt het gezin bijeen, als het eerst schoft of dagwerk is volbragt. Sommigen houden dan het middagmaal en gunnen zich dan rust tot 10 ure; anderen eten een boterham, gebruiken thee en hervatten den arbeid te 9 ure. Zij, die te 8 ure middagmalen gaan te 10 ure weder aan het werk, arbeiden tot 2 uur en rusten dan een uur, waarin zij een stuk roggenbrood met boter en kaas en thee gebruiken. De overigen middagmalen om 12 uur en nemen dan rust tot 2 uur. Te 6 uur is de werkdag geëindigd; het gezin komt weder bijeen, en men nuttigt dan den avondmaaltijd; - vervolgens wordt er nog koffij of thee gebruikt.

Een vanzelfsprekend fenomeen in het leven was de "burenplicht". Men was buurplichtig bij sterfte en ziekte. In een verordening was aangegeven dat bij sterfte buren moesten helpen bij het rondzeggen, het besteden van de kist, het aangeven bij de secretarie, het bekleden van de kist, het in de kist leggen van het lijk en het brengen naar het sterfhuis. Dit gebeurde niet vanuit ideale gemeenschapszin maar vanuit de praktische gedachte - ik help jou en als ik hulp nodig heb, help jij mij.

Ee-Engwierum-Kollum-Burum
Folkert's familie behoorde voorzover valt na te gaan tot de kleine boeren; zelf is hij aanvankelijk boerenknecht.. Wat anders geldt wellicht voor Folkert's voogd Rienks Minnes Douma. Nu komt ook de naam Douma in deze contreien veel voor hetgeen de nodige verwarring kan geven. Niettemin komt de naam Rienks Minnes Douma in 1818-1838 ook voor als eigenaar en bewoner van de Roersma sate, Fjellingsreed nr.7, nabij het gehucht Tibma. Daarvoor wordt het gehuurd door Jantje Douma, weduwe van Minne Rienks die later ook eigenares is van de behuizing en landen. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat Folkert hier ook een deel van zijn jeugd heeft doorgebracht. De kinderen van Rienks Douma boeren later goed en verwerven de nodige landerijen (bijv. Meindert en Trijntje Douma).
In de Volkstelling van 1829 komen we Rienks Minnes Douma ook weer tegen wonende nr. 4 in Ee; hij is dan landbouwer en heeft een zeer heterogeen samengesteld gezin met 4 jongemannen en 1 jongedochter; het opvangen van jonge mensen is hij kennelijk blijven doen.

Voor Folkert geldt dat allemaal niet. Folkert wordt gardenier; nu zouden we zeggen "tuinder", iemand die vooral moestuinen onderhield. In 1820 trouwt hij Dieuke Sjoerds Prins, afkomstig uit Roodkerk, een gehucht ten zuiden van Dokkum. De naam "Prins", ook ingeschreven in 1811, roept gelijk de vraag op of dit niet een protestnaam is tegen de Franse overheersing. Overigens woont Dieuke dan al in Engwierum waar ze naaister is. Hoe het ook zij, Folkert en Dieuke gaan hier na hun huwelijk wonen. In 1821 wordt daar hun zoon Minne geboren. Aan de heldere ondertekening van de geboorte-akte is te zien dat Folkert de schrijfkunst goed machtig was. Misschien zegt dat toch iets van zijn opvoeding bij voogd Rienks Douma. Helaas, de vreugde is van korte duur, want 3 jaar later, op pas 27 jarige leeftijd, overlijdt Dieuke. Kennelijk woont het gezin dan weer in Oostrum.

Engwierum is overigens niet veel anders dan Ee; een klein terpdorp waar mensen leven van de landbouw. Qua inwonertal is het misschien net iets kleiner. Ooit lag het aan de monding van het Dokkumerdiep maar de omgeving van Engwierum groeit door aanlanding. Dit gebied komt bij de grote overstromingen van februari 1825 onder water maar het hoger gelegen Engwierum blijft droog. De monding van het Dokkumerdiep ligt bij Dokkumer Nieuwzijlen waar in de 18e eeuw al een sluis werd aangelegd. Net als in Ee kent Engwierum ook een Commune; als de kerk in de 18e eeuw haar landerijen kwijt raken, kopen een aantal welgestelden voor de kerk gronden. Met de opbrengst wordt de zaken voor kerk en dorp gefinancierd. Het bestuur van de commune wordt door erfopvolging bepaald. Ook het gezicht van Engwierum wordt gedomineerd door een kerk; vlak erbij ligt de "dobbe", de drinkwatervoorziening. Ondanks die eigen kerk zijn Ee en Engwierum lange tijd één kerkelijke gemeente. Pas in 1833 gaan beiden uit elkaar. Dat is ook de tijd van de Afscheiding.
En hoe vergaat het Folkert en de nog jonge Minne na het overlijden van moeder Dieuke? Uit de Volkstelling van 1829 kunnen we afleiden dat de verdere opvoeding van de jonge Minne door oma Doetje gebeurt. Want op dat moment woont Doetje Gerrits in Engwierum nr. 39a met 2 zoons en 2 kleinzoons waaronder Minne die dan 8 jaar oud is. De 2 zoons zijn gardernier. Maar merkwaardigerwijs komen we vader Folkert niet tegen; moeten we veronderstellen dat hij op dat moment elders als arbeider extra inkomsten probeerde te verwerven? Als oma Doetje in 1839 in Engwierum overlijdt is Minne 18 jaar. Vijf jaar later overlijdt ook zijn vader Folkert op 45-jarige leeftijd na een leven - wat zich laat aanzien - met veel eenzaamheid.

Minne is een echte geboren en getogen Engwierummer. Hij is boerenknecht. Als hij 26 jaar oud is trouwt hij met een arbeidster uit Buitenpost, Ettje Durks Boersma. Minne heeft keurig aan zijn dienstplicht voor de nationale militie voldaan. Ettje heeft al een zoon uit een eerder huwelijk. Minne en Ettje krijgen 3 kinderen - Dirk, Folkert en Ettje. Opmerkelijk is dat eerst de vader van Ettje is vernoemd en pas daarna de vader van Minne; andersom was gebruikelijker.
De geboorte-akte van Folkert laat iets bijzonders zien. Aangifte is gedaan bij de burgemeester zelf waarvan de naam luidt: jonkheer meester Jan Minnema van Haersma de With! Dat feit en die naam (Minnema) roepen vragen op; toch lijkt het een afstammeling van een totaal andere familie uit Metslawier. Bovendien staat het "jonkheer meester" van de burgemeester in schril contrast met hetgeen onderaan vermeldt wordt van Minne en zijn getuige Visser (van beroep visscher!) nl. "verklarende de declarant en eerstgenoemde getuige op onze aanvrage geen schrijven te hebben geleerd"!!!
En ook nu is er weer een vroeg verlies; Minne overlijdt in 1857 wanneer de kinderen nog klein zijn. Dirk is 7, Folkert 4 en Ettje 3. Minne overlijdt overigens in Kollum (nr.209 wijk A). Ongetwijfeld heeft dat met werk te maken maar naar de precieze oorzaak is het gissen. In de landbouw gaat het in het algemeen in de jaren tussen 1840 en 1870 erg goed. Daarnaast biedt het doorgraven van het Dokkumerdiep (met schop en kruiwagen over een lengte van 2 km) veel extra werk; zelfs uit Brabant worden arbeiders geronseld. Maar het gros van het werk daarvan vind in 1858 plaats als Minne al is overleden.

Kollum wordt in 1844 door Van der Aa als volgt beschreven:
Het heeft eene schoone, groote en digtbebouwde buurt, met aanzienlijke huizen en onderscheidene straten; de voornaamste of hoofdstraat loopt O. en W.; nagenoeg op de helft wordt zij doorsneden van een kanaal, dat van het Zuiden naar het Noorden loopt, en tot vaart en afleiding van het water naar de Nieuwezijlen dient. Men heeft er, ten Z. van het vlek, eenen puinweg, en ten W. eenen grindweg. Het vlek wordt verdeeld in vier deelen, kluften genaamd, welke zijn: de Laanster-en-Luynster-kluft , de Torpma-kluft , de Uiterdijkster-kluft en de Kerkburen-kluft . Men telt er, in de kom van het vlek of de Kerkburen , 200 h. en 1600 inw., en in de vier kluften te zamen 339 h. en 2140 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw, veeteelt, handel enz. Ook bestaan vele ingezetenen van de vischvangst; inzonderheid is de Kollumer-bot zeer bekend, die van hier naar onderscheidene andere plaatsen der provincie verzonden wordt. men treft er ten N. W., N. en O. zware milde klei en vele vruchtbare landerijen, behalve op het noordeinde bij de Oude Kollumerzijl, alwaar zij slecht en laag van bodem zijn. Ten Z. en W. is er beste zandgrond. Voorst heeft men er 1 vellenblooterij, 1 looijerij, 1 lijnbaan, 1 rogge- en oliemolen. Eene cichorijfabrijk, welke hier vroeger bestond, is sedert weinige jaren vervallen, waardoor de aanzienlijke verbouw van dit artikel bijna geheel heeft opgehouden; een rogge- en pelmolen, welke in het vorige jaar (1843) is afgebrand, is nog niet herbouwd; voorst zijn er 1 wolkammerij en verwerij, 1 olie- en mout- en korenmolen. De Kollumer-zijl heeft eene schoone uitwatering naar zee, en daardoor is er veel gelegenheid tot koophandel en zeevaart, welke hantering hier ook worden gedreven. Voorst heeft dit dorp twee jaarmarkten, waarvan de eene op den eersten Junij en de andere op den eesten September wordt gehouden, alsmede eene paardenmarkt, op den 12 April, die vroeger sterk bezocht werd, doch waarop die van Leeuwarden eenen schadelijken invloed uitoefent. Er wordt hier ook veel handel gedreven op de Maandagsche weekmarkt, die vroeger reeds niet minder belangrijk was en hier een Waag heeft doen stichten.

Of Ettje met de kinderen nog lang in Kollum blijft wonen is niet bekend. Maar als Folkert gaat trouwen blijkt hij in Burum te wonen. Ettje is dan weer terug naar haar geboortedorp Buitenpost.


Burum wordt omstreeks midden van de 19e eeuw omschreven als "vrij groot, maar tevens zeer stil en afgezonderd dorp". Het is met een vaart met de Lauwerszee verbonden. Toch telt het bijna 2x zoveel inwoners als Ee of Engwierum. De meesten vinden hun bestaan in de landbouw en veeteelt, op de uitgebreide landerijen op de zware vruchtbare klei in de omgeving. Burum en ook het vlakbij liggende Buitenpost waar Ettje vandaan komt behoorde tot het grensgebied van Groningen en Friesland. Mensen die gemakkelijk wilden uitwijken vonden hier een geschikt woongebied. Vanouds woonden er nogal wat vrijbuiters en onafhankelijke geesten (zie bijv. bij Kollumer Oproer).
Zo zien we dat in een periode van zo'n 100 jaar en 4 generaties deze Folkerts en Minnes geleidelijk gedaald zijn op de maatschappelijke ladder van zelfstandige landbouwer tot bijna minvermogende arbeider; ook qua woonplaats is men opgeschoven van Dokkum en verhoudingsgewijs nabijgelegen Ee steeds verder van de stad naar een grensgebied. De labiele gezinssituaties zullen hier mede debet aan zijn geweest.
Maar wat moet dat worden als rond 1876 de landbouwcrises uitbreekt?

Folkert en Meintje: ouders van Aafke
Goedkoop graan uit Amerika en Rusland, goedkope zuivel en boter uit Denemarken, het waren belangrijke oorzaken voor de ingrijpende landbouwcrises die zich vanaf 1876 manifesteerde. Veel had te maken met de technologische achterstand die was opgelopen. Als reactie kwamen er andere teelten: de aardappel werd het belangrijkste akkerbouwgewas ten koste van tarwe, vlas, koolzaad en cichorei. Ook de verbouw van suikerbieten nam toe. Productietechnieken werden verbeterd; de botermakerij verdween van de boerderij, zuivelfabrieken ontstonden. Een gevolg was uiteraard dat er minder landarbeiders nodig waren. Deze economische malaise ging tegelijkertijd gepaard met de opkomst van de sociale strijd en emancipatie. Veel mensen gingen elders op zoek naar werk; naar de Friese Wouden en Drentse heide die verder werd ontgonnen, naar de steden waar de dienstverlening en industrie zich ontwikkelde, naar de aanleg van infrastructuur als kanalen, wegen en spoorwegen.

De bewoners rond de Lauwerszee worden in deze jaren ook enkele malen opgeschrikt door overstromingen die de gemoederen flink bezig houden. Eind januari 1870 breken er dijken door. In 1874 verdrinken 13 polderwerkers die op de kwelders wonen tijdens een stormvloed. In 1877 overstroomt de Westpolder wat 13 slachtoffers kost.

Het zijn de jaren dat Folkert en zijn broer Dirk Minnema een vriendinnetje vinden bij familie Van der Wal uit Burum. Niet zo gek als je bedenkt dat Heine van der Wal en Corneliske Goed eerst 5 dochters krijgen alvorens er een jongetje wordt geboren. Dirk trouwt in 1874 met de 3e dochter, Hendrikje. Anderhalf jaar later volgt Folkert met dochter nummer 5, Meintje. Folkert is boerenknecht, Meintje arbeidster. Gemakkelijk zullen ze het niet hebben gehad getuige het feit dat ze een certificaat van onvermogen overleggen bij hun huwelijk. Dat betekent dat ze geen geld hebben voor hun huwelijkskosten. Misschien is dat ook de reden dat ze niet eerder zijn getrouwd; want bij hun huwelijk "erkennen en wettigen" ze tevens 2 kinderen Etje en Heine. Een andere mogelijkheid is dat Folkert eerder nog in dienst was want ook is een certificaat van voldoening van de nationale militie en een toestemming van de commandant van de eerste regiment infanterie (meestal Leeuwarden). Vier jaar later blijkt bij de geboorte van een zoon Minne dat Folkert en Meintje kennelijk verhuist zijn naar Gerkesklooster. Een jaar later is er weer een zoon, Albert, en hij wordt geboren in 1880 in Tynaarlo. Folkert is spoorwegwachter geworden.

In 1860 wordt de Spoorwegwet aangenomen waarinwordt vastgelegd dat Nederland een aaneengeslotenspoorwegnet moet krijgen. Ook wordt gesproken over een spoorlijn Meppel-Groningen. In 1870 vindt de opening plaats; men rijdt 3 x per dag vice versa. Twee jaar later komen er sneltreinen en duurt de rit Groningen-Amsterdam nog maar 5 1/2 uur. Deze expansie van de spoorwegen brengt ook werkgelegenheid met zich mee. Zo zijn er stokers en machinisten, spoorwegwachter (overwegen) en spoorwegwerker (voor spoorbaanonderhoud), lampenisten en loopjongens. Doordat personeel een uniform droeg, kans op een vaste baan had en er promotiemogelijkheden waren, was een baan bij de spoorwegen aantrekkelijk. Folkert behoorde tot de gelukkigen.


Folkert - zie foto hiernaast - staat genoteerd als spoorwegwerker en spoorwegwachter. De wachtpost bij een spoorwegovergang was meestal een familietaak, zeker bij de druk bereden lijnen, maar ook bij de lijnen met veel goederenvervoer. Daar het goederenvervoer ook in de nacht plaatsvond, was het gewoon dat in het gezin van de spoorwegwachter man en vrouw samen 24 uur in dienst waren. Niet alleen dienden de spoorbomen op tijd gesloten te worden, maar ook moest de voorbij razende trein gecontroleerd worden en wanneer bijv. een licht niet brandde, werd dat doorgegeven aan het dichtbijzijnde station. Vanaf ongeveer 1892 wordt Meintje in geboortenactes ook vermeld als "wachteres". Kortom ook hier was sprake van een familiezaak.

In 1882 wordt Aafke geboren. Aafke is een naam van Meintjes oma, oma Kraaijsma uit Noordwolde. Ook een zus van Meintje is naar haar vernoemd. Dan volgen nog Dirk, Hendrik en Janna. Een turbulente tijd volgt. Janna overlijdt, Johannes wordt geboren, maar kort erop overlijden Dirk, Hendrik en Johannes; dat alles in een tijdsbestek van 5 jaar. Tenslotte worden in 1893 en 1894 opnieuw een Janna en een Dirk geboren. In totaal krijgen Folkert en Meintje 10 kinderen waarvan er 4 vroegtijdig overlijden. In zo'n gezin is een dochter als Aafke uiteraard steun en toeverlaat, zeker als haar oudste zus Etje, trouwt als ze 14 jaar oud is.

Het is op woensdag 12 mei 1897 als er iets bijzonders gebeurt in het dorp Tynaarlo. De hele buurt spreekt dan over niets anders dan de vondst door Willem Emmens en Hendrik Barkhof 7 van een veenlijk in het naburige dorpje Yde, het zgn. meisje van Yde.
"Drukkend was de hitte, die reeds sedert eenige dagen het toch al zware werk bepaald ondragelijk voor hen maakte. Maar toch ging de beugel steeds weer in het bruine water en een massa zwarte veenmodder werd neergekletst op het klamweeë moeë aardelijf. Doch eens voelde de beugel van een der arbeiders hem al te zwaar, en onder het ophalen stootte hij de verwensching uit: "De duvel haal den vent die dat gat heeft gegraven". Met verscheen aan de oppervlakte van het veenwater een zwart hoofd met rosachtig haar; en de man, in de verbeelding, dat zijn wensch stond vervuld te worden en de Satan in hoogsteigen persoon op den beugel zijn onderaardsch verblijf verlaten wilde, smeet den beugel neder en holde, holde naar zijne woning. Met zijn makker, wiens gedachten niet van de zijne verschilden, kwam hij daar bleek en ontdaan aan, en het duurde geruimen tijd, eer het heldhaftige tweetal, met den gewenschten eerbied, hun wedervaren durfden mede te delen. Dat spijs noch drank dien dag door hen genuttigd werd, spreek vanzelf" (uit: Wijnand vna der Sanden: Het meisje van Yde)
Overigens zijn de bewoners niet al te voorzichtig met het lijk omgegaan want tanden werden uit de mond getrokken en haren uit de schedel. Maar ja, zij zullen ook geen weet hebben gehad van de historische betekenis van hun vondst. Overigens bleek in 2006 pas dat de eigenlijke vindplaats ergens tussen Yde en Vries was; de bewuste turfstekers waren illegaal bezig en hadden om die reden het lijk verplaatst. Nazaten hielden dat verhaal lang geheim om de naam van hun voorvaderen niet te besmeuren.

Als Aafke 21 jaar oud istrouwt haar broer Albert met Geesje Kruis. Geesje heeft ook een broer, Sake. Een paar jaar later, om precies te zijn 18 mei 1907 trouwen Aafke en Sake en gaan in Tynaarlo wonen. Aafke is dan 24, zie foto hiernaast. In 1914 verhuizen ze - dan al met 3 kinderen - naar Epe.


Folkert en Meintje blijven aanvankelijk in Tynaarlo maar verhuizen later - wellicht omdat ze een huis van de spoorwegen bewonen? - naar Zuidlaren, waar Meintje in 1921 overlijdt. Dan trekt Folkert bij Aafke en Sake in huis in Epe. In 1938 op 85-jarige leeftijd overlijdt hij.

 

 

 

................

Aafke ca. 1950 .......................Aafke ca. 1954

 

Nog even Aafke Kruis-Minnema

Voor een verdere beschrijving zij verwezen naar Sake en Aafke in Epe
Maar wat voor iemand was Aafke nu eigenlijk? Aafke heeft als oudste dochter in een roerig gezin ongetwijfeld al vroeg geleerd zelfstandig te zijn en de handen uit de mouwen te steken. Enerzijds zorgzaam en anderzijds volhardend en vol vertrouwen. Dat vertrouwen ontleende ze voor belangrijk deel aan haar geloof; Aafke was een vrome vrouw. Deze eigenschappen maakten haar op de achtergrond de steun en toeverlaat van het gezin. Een uitbundige vrouw was het zeker niet; eerder wat stil en geduldig. Haar Sake was ook niet de gemakkelijkste. Waarom ze hem gekozen heeft is een kwestie van raden. Misschien omdat ze als 21-jarige dochter het de hoogste tijd vond om een echtgenoot te zoeken en Sake - als nieuwe zwager - langs kwam? Was het de vrolijke en opgewekte kant van Sake die haar trok? Misschien omdat hij een goede baan had?
Op de foto's ziet ze er altijd wat streng en nors uit; een kleine glimlach om de mond is al heel wat. Ook de kleding is donker en somber. Het zijn foto's als ze al op leeftijd is. Het leven is dan ook vaak zwaar geweest; eerst thuis, dan met 3 kinderen verhuizen naar het volkomen onbekende en ver weg liggende Epe, ziekte en problemen met Sake, een inwonende vader, een druk gezin met uiteenlopende karakters, de oorlog en pas tegen dat ze 73 jaar is gaat het laatste kind het huis uit. Op 78-jarige leeftijd overlijdt Aafke na een vol leven.

 

Literatuur:
K.de Graaf: Wonen en werken in Engwierum toen en u, 1996
Jacques Kuiper: Een revolutie ontrafeld, Franeker, 2002
J.G. Baron Verstolk: De Friezen en hun aard, karakter, opvoeding, kleeding, taal, levenswijze, zeden enz.
in den aanvang der negentiende eeuw, 1813
D.A. Zwart: Schetsen uit de historie van Ee, Metslawier, 1994